Interview
Mechatronici moeten samenwerken en innoveren
2 maart 2007
Vlaanderen heeft een sterke mechatronicaindustrie, zegt Jos Pinte. De WTCM-topman die bij Agoria verantwoordelijk is voor de mechatronicatak, werkte zelf meer dan twintig jaar als onderzoeksingenieur bij WTCM en zag mechatronica groeien tot de basistechnologie voor machinebouw. Deze industrie is de moeder van talloze andere sectoren: ze bouwt immers productiemiddelen. Vlaamse machinebouwers kunnen hun succes echter nog altijd verbeteren. ‘Onze mechatronici moeten leren samenwerken en innoveren.’
Na de tweede vergadering van het Vlaamse Manufuture-platform in december spraken we WTCM-topman Jos Pinte en vroegen hem naar zijn visie op de mechatronica-industrie. In 1999 werd Pinte binnen de technologiefederatie Agoria verantwoordelijk voor onder meer de sector machinebouw. Sinds die tijd heeft hij niet stil gezeten. ‘Ik ben toen in het begin onmiddellijk gaan onderzoeken wat de belangrijkste elementen waren om de sector in de toekomst verder te laten groeien. We hebben toen een brede analyse uitgevoerd bij een zestigtal machinebouwers. Daaruit konden we twee conclusies trekken: de basistechnologie van machinebouw is mechatronica en de sector moet meer samenwerken.’
Jos Pinte studeerde in 1974 af aan de Katholieke Universiteit Leuven als elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur. Hij werkte enkele maanden aan de KU Leuven en stapte daarna over naar het onderzoekscentrum WTCM. Tussen 1975 en 1998 was hij er onderzoeksingenieur, waarbij hij op alle afdelingen werkte en alle specialiteiten van het WTCM doorliep, van verspanen over groepentechnologie tot CAD/CAM. Sinds 2000 is hij algemeen directeur van het centrum dat zijn hoofdvestiging heeft in Brussel. Vanaf 1999 is hij ook verbonden met Agoria waar hij als algemeen manager de sectoren mechatronica, metaalbewerking en kunststoffen leidt.
Volgens Pinte is het groeiende belang van mechatronica als basistechnologie voor de machinebouw duidelijk te zien: ‘Waar vroeger 80 procent van een machine mechanica was, bestaat een machine nu uit een combinatie van een derde mechanica, een derde elektronica en een derde informatietechnologie. Dat heeft ons er vooral toe gebracht om alle mensen die rond mechatronica werken meer bij elkaar te brengen met allerlei initiatieven. Ik heb de sector machinebouw zelfs een nieuwe naam gegeven: mechatronica. Dit om aan te geven dat het echt de basistechnologie is.’
Agoria is dan met professor Hendrik Van Brussel van de universiteit van Leuven aan tafel gaan zitten om te kijken hoe de universiteit en de bedrijven in de mechatronica-industrie hun krachten konden bundelen. ‘Van alle mechatronicaonderzoek in Vlaanderen gebeurt 70 tot 80 procent aan de KU Leuven’, aldus Pinte, ‘en daarom hebben we ons onderzoekscentrum FMTC ook in Leuven gevestigd. Er is ook meer en meer samenwerking met bedrijven door doctoraatsthesissen, vanuit de ingenieursopleiding en vanuit onderzoek.’
Wegsmijten
Als tweede element dat naar voren kwam in Agoria’s analyse noemt Pinte de samenwerking tussen bedrijven. ‘De Vlaamse mentaliteit is hier nog altijd, ook in bedrijven: veel zelf willen ontwikkelen en alles afschermen van anderen. In andere landen werken de machinebouwers veel meer samen.’ Pinte verwijst hiervoor naar Finland, Duitsland en het Baskenland. Agoria heeft hierop ingespeeld door twee instituten op te richten die de samenwerking moesten bevorderen: het FMTC (Flanders Mechatronics Technology Centre) voor het ontwikkelen van technologie en het FMEC (Flanders Mechatronics Engineering Centre) voor het testen van apparatuur.
‘In 2003 hebben we met een vijftiental bedrijven het FMTC opgericht’, vertelt Pinte. We vinden er onder meer Atlas-Copco, Barco, Bekaert en Picanol. ‘Deze bedrijven wilden bekijken hoe ze hun beperkt aantal middelen (mensen en machines) beter konden benutten door samen te werken. Op dit moment werken er in het FMTC, dat bij de Katholieke Universiteit Leuven gevestigd is, 25 onderzoekers. Zij doen al het gemeenschappelijk wetenschappelijk onderzoek op middellange termijn voor die vijftien bedrijven. De deelnemende bedrijven komen om de twee ŕ drie maanden samen, laten weten wat zij nodig hebben op termijn en zij definiëren daar projecten rond. Als er meer dan drie bedrijven geďnteresseerd zijn in een project, voert het FMTC dat uit. De bedrijven betalen de helft van de inspanning; de andere helft komt van de Vlaamse overheid.’
In 2005 heeft Agoria dan het FMEC opgericht in de Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende. ‘Als een machine is geproduceerd, is de kous namelijk nog niet af’, zegt Pinte. ‘De machines moeten worden getest op allerlei soorten elektromagnetische straling, op hun levensduur, enzovoort. Veel bedrijven hebben wel de benodigde testapparatuur, maar die hoeven ze slechts zo nu en dan uit de kast te halen. Het gaat daarenboven nog om dure apparaten en ook het gebruik ervan is duur. Daarom hebben we het FMEC opgericht, een centrum dat al die apparatuur samenbrengt.’
Beide instituten zorgen voor meer samenwerking tussen de Vlaamse bedrijven in de mechatronica-industrie en geven zo volgens Pinte de sector een sterkere positie in de toekomst. ‘We hebben ook nog andere projecten, bijvoorbeeld over innovatie. Als een bedrijf toevallig een idee heeft, maar het niet kan toepassen omdat het bijvoorbeeld niet in zijn businessplan past, dan wordt dat idee nu vaak weggesmeten. En dat terwijl een ander bedrijf het idee misschien wel kan gebruiken. Door samen te werken en ideeën aan elkaar door te spelen, kan onze industrie sterker worden.’
WTCM-topman Jos Pinte: ‘Veel van onze bedrijven zouden meer kunnen doen, maar vinden er de mensen niet voor.’
Moeder
Zo komen we bij de vraag naar het belang van de industrie. Waarom besteedt Agoria de laatste tijd meer en meer aandacht aan mechatronica? ‘De mechatronicasector bouwt productiemiddelen voor andere sectoren’, zegt Pinte. ‘Textielapparatuur, landbouwmachines, bulldozers, noem maar op. Het zijn allemaal producten van de mechatronica-industrie. Deze sector is heel belangrijk voor een land: het is een sleutelsector, de moeder van de andere sectoren. Veel sectoren verhuizen naar andere landen. Softwareontwikkeling kan gelijk waar gedaan worden, en we zien dat dat ook vaak verhuist naar het buitenland. Als we mechatronica naar het buitenland verhuizen, verliezen we de controle over onze hele industrie.’
Pinte kijkt ook verder dan Vlaanderen: ‘De Europese mechatronica-industrie wordt een leverancier van productiesystemen aan de wereld. Het is nu misschien nog een droom, maar het is iets dat we zeker kunnen doen. Dát is het belang van onze mechatronica-industrie, niet dat er 45 duizend mensen in Vlaanderen in werken, dat is het klassieke liedje.’
Vlaanderen staat volgens Pinte heel sterk op vlak van mechatronica. ‘Dit komt waarschijnlijk door onze opleidingen. De mechatronicasector vraagt natuurlijk specifieke vakkennis van mechatronica, maar ook het snel bij elkaar kunnen brengen en integreren van nieuwe technologieën, het ontwikkelen van simulatietechnieken, enzovoort. We hebben mensen nodig die multitechnologisch zijn opgeleid. En dat hebben we: onze ingenieurs krijgen in vergelijking met andere landen een brede basisopleiding van verschillende technologieën.’
Charmeoffensief
‘Het grootste probleem voor de mechatronicasector is op dit moment het vinden van goede mensen’, verzucht Pinte, een klacht die we de laatste jaren overal horen. ‘Veel van onze bedrijven zouden meer kunnen doen, maar vinden er de mensen niet voor.’ Op de vraag naar welke maatregelen we daartegen kunnen nemen, antwoordt Pinte dat er in het onderwijs van de eerste tot de laatste graad meer waardering voor techniek moet komen. ‘Dat is heel moeilijk. Als er geen gecoördineerde aanpak komt van overheden, bedrijven en beroepsfederaties, zal het tekort zeker niet verdwijnen.’
Bij studenten is er volgens Pinte een bewustwording nodig over wat de sector inhoudt: ‘De mensen denken dat ingenieur een saai beroep is. De industrie wordt ook vaak voorgesteld als minder groen, iets dat al lang is achterhaald. De klassieke beelden van industrieterreinen waar zwarte rook uitkomt, zijn verleden tijd, maar ze spoken nog wel rond in de hoofden van de mensen. Bovendien spreken we met de technische studies nu maar 50 procent van de mensen aan. We willen dan ook meer vrouwen aanspreken om technische studies te beginnen.’
Pinte waarschuwt wel voor al te kortzichtige charmeoffensieven van de universiteiten. ‘Je moet altijd genoeg rekening houden met de behoeften van de eigen regio. De universiteiten vragen zich natuurlijk af hoe ze hun opleidingen aantrekkelijker kunnen voorstellen voor studenten en dat is niet altijd goed voor de belangen van ons land. Een ingenieursopleiding ruimtevaart trekt bijvoorbeeld wel studenten aan, maar we hebben die ingenieurs in onze Vlaamse industrie weinig nodig.’
Asbak
Volgens Pinte is er heel wat innovatie aan de gang in de mechatronica-industrie. ‘In andere industrietakken is innovatie niet zo belangrijk. Ik wil het niet minimaliseren, maar een machine gebruiken is eenvoudig: eens je een textielmachine hebt bijvoorbeeld, moet je hem gewoon laten draaien. Om die machine te ontwikkelen, wat in de mechatronica-industrie gebeurt, moet je echter constant vernieuwen. Op dat vlak is er de laatste jaren een serieuze evolutie bezig. De mechatronicasector is ook een grote aanvrager van onderzoeksprojecten bij het IWT.’
Bedrijven vragen steeds meer innovatieve oplossingen van machinebouwers, zoals personalisatie van machines. In de machinebouw is er ook een trend naar modularisatie: de machine als legosysteem. Dat legt de lat hoog voor de producenten. ‘Als een weefgetouwenfabrikant bijvoorbeeld niet om de vier tot zes maanden met een nieuwe verbeterde machine op de markt komt, dan is hij 20 procent van zijn markt kwijt’, aldus Pinte. ‘Globalisering verplicht mechatronicabedrijven ook om de lat hoog te leggen voor zichzelf. Aan globalisatie zijn twee aspecten: de wereld wordt je markt, maar de wereld wordt ook je concurrent. In die grote markt moet je snel vernieuwen. Daarom vindt Agoria innovatie, vernieuwing, onderzoek en ontwikkeling zo belangrijk. We hebben de kennis hier, we moeten er dan ook alles uithalen.’
‘De klant vraagt ook geen machine meer, maar een oplossing’, voegt Pinte. ‘Iemand die naar Atlas Copco gaat voor een compressor, zegt niet ‘Ik wil die compressor’, maar ‘Ik moet over zoveel kubieke meter samengeperste lucht per uur kunnen beschikken’. Een machine is ook geen asbak die je weggooit als hij kapot is. Je moet hem onderhouden en dat kan enkel efficiënt met technieken om machines remote te monitoren. Atlas Copco kan bijvoorbeeld al zijn compressoren van afstand in het oog houden en een onderhoudsman sturen wanneer dit nodig is.’
Manufuture
Pinte heeft nog heel wat ambities in zijn taak als Agoria-verantwoordelijke voor de mechatronicasector. ‘Ik wil de samenwerking tussen bedrijven die we nu hebben nog uitbreiden en versterken. We slagen er de laatste jaren al goed in. Het WTCM biedt een goede dienstverlening voor bedrijven. We willen hen niet afhankelijk maken van het WTCM, maar geven de kennis door, zodat ze zelf op hun eigen verder kunnen. Naast samenwerking wil ik ook innovatie verder promoten. We zien nu zelfs al kleine KMO’s bij ons aankloppen die innovatieve producten willen maken. We moeten bovendien verder kijken dan Vlaanderen. Het Europese Manufuture-platform werkt ook aan innovatie en samenwerking. We hebben nu een sterk netwerk tussen Vlaamse machinebouwers, en Manufuture laat toe om dat uit te breiden met Europese partners.’






